| |
Piet Verwijmeren, dwarsfluit
Hoe en wanneer ben je in aanraking gekomen met het HBG?
Toen ik in 1957 in Utrecht ging studeren, ben ik meteen lid geworden van het Utrechts Studenten Koor en Orkest, dat toen onder leiding stond van Hans Brandts Buys. Na diens overlijden werd Jaap als zijn opvolger benoemd. Dat was voor mij bijzonder prettig, omdat ik hem al vanuit Breda kende, waar we in het muziekleven actief waren. Na zijn pensionering in 1984 en verhuizing naar Scheveningen heeft hij bij het oprichten van het HBG ook de kaartenbak van het USKO uitgevlooid om nog bruikbare (oud)-orkestleden voor herhalingsoefeningen onder de wapenen te roepen. Bij de blazers waren dat onder meer Tom Ruigrok, Hans Janssen en ik. Wij drieën zaten, tussen haakjes, al omstreeks 1960 in het USKO naast elkaar! Voor mij is het musiceren onder en met Jaap dan ook sinds midden jaren 50 een ‘continuo’, wat ik als een voorrecht en grote rijkdom beschouw en ik hoop dat mijn gezondheid het toe zal laten dat ik nog lang onder hem zal mogen musiceren! |
|
Je speelt dwarsfluit, heb je daar ooit bewust voor gekozen?
Op mijn negende verjaardag kreeg ik van Sinterklaas een houten fluit. Die lag, neem ik aan, toevallig ongebruikt in de instrumentenkast van het harmonieorkest ‘Amor Musae’ in wat toen nog Beek heette en nu door Breda opgeslokt is. De dirigent, Frits Vermeeren, gepensioneerd fluitist van wat nu de Koninklijke Militaire Kapel is, leerde me de eerste beginselen en op mijn tiende, in 1948, mocht ik voor het eerst meespelen tussen al die grote kerels, onder wie ook mijn vader. Het was een geweldige leerschool, waarvan ik mijn hele leven profijt heb gehad. Ook mijn twee broers werden later lid, maar niet mijn drie zusjes; die kregen pianoles, omdat in die jaren alleen nog mannen lid van Amor Musae mochten zijn.
Je soleert ook. Hoe hou je je zenuwen in bedwang bij een uitvoering?
Een goede vraag. Dat is – ik spreek even voor mezelf – iets waarmee je je hele leven wordt geconfronteerd. Het gaat nooit over, hoewel ik vind dat ik er de laatste jaren wat laconieker tegenover sta. |
|

Maar je kunt gerust stellen dat er onder diegenen die een verantwoordelijke solo moeten spelen – ook al is dat voor de zoveelste keer – in stilte het nodige geleden wordt, dat er, met andere woorden, veel verborgen leed heerst onder die stakkers.
lees verder terug |
|